“Ik ben nog geen andere methode tegengekomen waarbij een leerling sneller en effectiever noten kan leren lezen dan bij Folk Dean!”
Met veel interesse las ik het artikel over lesmethoden voor orgel (“De kunst van het orgelonderwijs”) van Annemiek Zeldenrust, in het februari-nummer van maandblad Het Orgel
van dit jaar. Omdat ik zelf ook veel orgel- en pianoles geef in mijn dagelijkse praktijk, vond ik het de moeite waard om te lezen wat haar bevindingen waren. Bovendien verschijnen
er maar weinig artikelen over orgellesmethoden in de orgelbladen, terwijl het toch een heel belangrijk onderwerp is. Als inleiding boven het artikel van Annemiek Zeldenrust in
Het Orgel stond zelfs dat in het desbetreffende blad al enkele decennia niet of nauwelijks aandacht was besteed aan dit onderwerp!
Annemiek loopt in haar artikel diverse bestaande orgelmethoden bij langs. Elke methode heeft voor- en nadelen. Iedereen kent natuurlijk de naam Folk Dean, een zeer productieve
componist uit een inmiddels ver verleden, die vooral bekend (lees: berucht) is door zijn ontelbare technische oefeningetjes. Annemiek vult aan: “…waarbij het muzikale idee onduidelijk
is”. Ik vond dat een grappige toevoeging, maar ik kan haar geen ongelijk geven. Didactisch gezien zijn de bundeltjes van Folk Dean ouderwets en wellicht achterhaald, maar ik ben nog
geen andere methode tegengekomen waarbij een leerling sneller en effectiever noten kan leren lezen dan bij Folk Dean!
Een veelgehoord bezwaar tegen Folk Dean is dat de eigen creativiteit van de leerling vanaf het begin de kop wordt ingedrukt, door het systematisch aanleren van alleen
maar het notenschrift en de bijbehorende vingerzettingen. Bij modernere orgelmethoden zie je daarin wat verandering. Zo heb je de methode “Organo Pleno” van
Christiaan Ingelse, waarin ook aandacht is voor muziektheorie en registraties. Hans van Haeften schreef de driedelige serie “Dat kan ik ook”, een methode voor improvisatie,
heel geschikt voor (kleine) kinderen en een waardevolle aanvulling op andere methoden.
Wat in het artikel van Annemiek Zeldenrust niet wordt behandeld, maar wat ik zelf nog graag zou willen noemen, zijn pianomethoden. Voor beginnende leerlingen, die toch
nog niet meteen met pedaal spelen, kun je ook heel goed een pianomethode gebruiken, want de eerste beginselen van het bespelen van toetsen zijn voor orgel en piano hetzelfde.
Mijn favoriete pianomethode is “Piano Adventures”, een heel uitgebreide methode, met veel (aanvullend) materiaal. Opvallend aan deze methode is dat niet begonnen wordt met de witte,
maar met de zwarte toetsen, zodat het spelen met kruizen en mollen later minder als extra moeilijk behoeft te worden ervaren. Verder is er, naast het notenschrift, ruimte voor
improvisatie, theorie en spelen met akkoorden. Niet in de laatste plaats zijn de te spelen muziekstukjes, alsmede de opmaak qua kleuren en toegevoegde plaatjes heel aantrekkelijk.
Waar het artikel in Het Orgel mee besluit is een aansporing aan het adres van de docent: als docent heb je de taak om de juiste balans te vinden tussen technische vorming en
muzikale creativiteit. Je moet daarbij denken vanuit de leerling. De ideale orgelmethode, waarin alle gewenste onderdelen van het moderne muziekonderwijs samen
komen, bestaat op dit moment misschien (nog) niet. Als docent heb je dan de schone taak om uit al het materiaal dat er is een afwisselend geheel aan te bieden, of het
gebruik van methoden (een bepaalde periode) helemaal los te laten. Spelenderwijs hopen we zo nog veel muzikaal vaardige organisten op te leiden!